John Martyn - Al 35 jaar een Mysterie

Hans van den Berk
Heaven magazine

Dit voorjaar legde de BBC de laatste hand aan een documentaire over John Martyn. Hij wordt uitgezonden op BBC Four in een reeks gewijd aan de 'peetvaders van de moderne muziek'. Hoewel hij ruim 35 jaar in het vak zit geldt de Schot nog immer als een goed bewaard geheim. Een 'cult musician's cult musician'.

portraitAls de naam 'John Martyn' valt zijn Nick Drake, Tim Buckley, Van Morrison en Joni Mitchell nooit ver weg. Een singer-songwriter dus, een eigenzinnige, met weerhaken. Martyn werd geboren als Iain David McGeachy op 11 september 1948 in Surrey (Engeland) en groeide op in Glasgow. Hij was veertien toen Joan Baez' Silver Dagger zijn belangstelling wekte voor de akoestische gitaar. Hij leerde zichzelf spelen en kwam onder de hoede van Hamish Imlach, folkmusicus en socialistisch wereldverbeteraar. Toen een collega te dronken was om op te treden in de pub mocht Martyn het proberen. Dat betekende het einde van zijn carrière aan de kunstacademie. Eind jaren zestig trok hij met Clive Palmer van de Incredible String Band naar London. Hij kwam terecht in het epicentrum van de folk-rock boom, die bands opleverde als Fairport Convention, Pentangle en Steeleye Span. Martyn raakte zwaar onder de indruk van Davey Graham, leerde de jonge Paul Simon en Bert Jansch kennen en trad veelvuldig op in de fameuze club Les Cousins in het Londonse Soho. Op de Kingston Folk Barge, een oude Nederlandse boot, afgemeerd in de Theems, kreeg hij een platencontract aangeboden voor het piepjonge label Island.

Met een budget van 158 pond nam hij zijn eerste plaat op, London Conversation, die in oktober 1967 (mono) uitkwam op het roze label van platenbaas Chris Blackwell. In wezen was London Conversation de neerslag van zijn live optreden. Het debuut bevat merendeels eigen nummers naast een enkele traditional (Cocain) en Don't Think Twice van Bob Dylan. Het is een lp zoals er in die tijd zoveel uitkwamen van jongens-met-een-gitaar. (Hier zelfs met sitar.) Toch is hij nog steeds genietbaar omdat er geen geld was om de productie te verpesten. Strijkjes noch koortjes staan de zuivere gitaartechniek en heldere stem in de weg.

coverEen jaar later, december 1968, verscheen opvolger The Tumbler, geproduceerd door Al Stewart. Jazzfluitist Harold McNair verzorgde de muzikale omlijsting. The Tumbler verraadt dat Martyns belangstelling breder was dan folk alleen. Zijn aanslag is harder, de akkoorden zijn gedurfder en de thema's van teksten worden breder - tot in het absurde (The Gardeners). Zoals zoveel Britse jongeren had Martyn goed geluisterd naar de zwarte Amerikaanse blueszangers; en bands als Free hadden zijn interesse gewekt voor funky ritmes. De invloed is goed merkbaar in zijn eigen Goin' Down To Memphis. In Seven Black Roses blijkt iets anders: Martyn was gewend op te treden voor collegagitaristen en die keken elkaar zeer kritisch op de vingers. De gitaarsolo's dienden dus vooral om techniek te etaleren. Maar stemmige songs als The River en Dusty vormen de voorboden van wat een paar jaar later kwam.

promo picMartyn had onmiskenbaar talent en hij wist waar hij moest zijn om zaken te doen. Hij werd gevraagd als begeleider voor folkzangeres Beverley Kutner en korte tijd later was het koppel getrouwd. Beverley's Amerikaanse producer Joe Boyd haalde het jonge echtpaar zomer 1969 naar Woodstock, om een plaat op te nemen die het Britse antwoord zou moeten vormen op The Band's Music From Big Pink. Beroemde sessiemuzikanten werkten mee aan Stormbringer (februari 1970) maar een doorbraak leverde hij niet op. Beverley's vocale bijdragen maakten vooral duidelijk dat John beter zong. Hetzelfde gold eigenlijk voor The Road to Ruin, uitgebracht slechts negen maanden later. De plaat klinkt wat meer als een eenheid dan zijn voorganger maar deed weinig in de verkoop.

Over wat daarna gebeurde bestaan verschillende versies. De officiële is dat Beverley het te druk kreeg met de kinderen. De zakelijke verklaring luidt dat Joe Boyd naar Amerika vertrok en Island verder wilde met John solo. Feit is dat in de loop van 1971 het album Bless The Weather werd gemaakt, waarop John de ruimte kreeg en alles bij elkaar kwam. De teksten: deels geïnspireerd door het vissersdorp Hastings waar de Martyns naartoe waren verhuisd. De songs: soms juweeltjes van melodieën die er altijd geweest lijken te zijn. De zang: Johns stem werd net zo flexibel ingezet in de mix als de instrumenten. Het gitaarspel: de invloed van huisvriend Nick Drake openbaarde zich in afwijkende stemmingen onder Martyn’s snoeiharde aanslagen. De begeleiding: contrabassist Danny Thompson legde op deze plaat de basis voor een jaren durende, legendarische en roemruchte samenwerking.

solid air cover..Aparte vermelding verdient de track Glistening Glyndebourne. Martyn was sinds The Band op zoek naar een warm elektrisch geluid maar hij wilde ook een verder dragend volume. Hij was zeer onder de indruk geraakt van het vrije spel en de scheurende toon van jazzsaxofonist Pharoah Sanders (Karma). Experimenterend met elementen, versterkers, vervormers en plakband bouwde hij geleidelijk een merkwaardige contraptie op. In het gat van zijn akoestische gitaar hingen twee elementen. Het eerste ging rechtstreeks het ene versterkerkanaal in, het tweede signaal belandde via verschillende vervormers elektrisch versterkt op het andere kanaal.
Daarmee beging hij voor sommige folkkringen al een doodzonde, maar Martyn ging een stapje verder. Hij had Watkins Copicat op de kop getikt; een eenvoudig apparaat dat een bandlus met regelbare snelheid langs een opnamekop en vier weergavekoppen stuurde. Deze “echoplex” stelde Martyn in staat live een boeiend ritmisch patroon te produceren als achtergrond waartegen hij zelf kon soleren. Gevoegd bij zijn open stemmingen leverde het een zaalvullend en aanstekelijk geluid op waarvan Glistening Glyndebourne het eerste voorbeeld was.

Bless The Weather maakte het Engelse clubcircuit te klein. John Martyn en Danny Thompson werden vaste gasten in de middelgrote zalen en op de Britse universiteiten. Begin 1973 zag Solid Air het licht, algemeen beschouwd als Martyns beroemdste album. Negen tijdloze songs brengen een sfeer over van vriendschap en romantiek in zeer late uren. Het titelnummer is geschreven voor Nick Drake die kampte met zware depressies en werd een klassieker. Ook May You Never (Lay your head down/ Without a hand to hold/ May you never make your bed out in the cold) is al decennia een vast verzoeknummer. Go Down Easy is zo verleidelijk als de titel suggereert.
De tekst van Don't Want To Know werd tweeënhalf jaar geleden luguber actueel toen twee vliegtuigen zich in het Newyorkse World Trade center boorden, op John's verjaardag (I'm waiting for the planes to tumble/ Waiting for the towns to fall/ I'm waiting for the cities to crumble/ Waiting till the sea a grow; I don't want to know about evil/ I only want to know about love).

inside out cover..De instrumentele laatste track, The Easy Blues, maakt vanaf het begin deel uit van Martyns live repertoire. De gitaarbewerking van een Jelly Roll Morton compositie leunt op twee technieken die niemand in al die tijd heeft kunnen kopiëren: de 'backslap'-aanslag, waarbij de rechterhand hamerend op de snaren het ritme sterk accentueert; en een daardoor noodzakelijk geworden intensief gebruik van de linkerhand voor versieringen.

Solid Air was zo succesvol dat Martyn carte blanche kreeg voor het vervolg, Inside Out. De plaat kwam al acht maanden later uit en werd bekroond in Montreux met een Gouden Plaat. Het is de meest jazzy lp in een reeks van 26. Hij staat vrijwel geheel in het teken van de liefde met een amusant uitstapje naar de folk; de Keltische traditional Eibhli Ghail Chiuin Ni Chearbhail werd niet uitgevoerd op een doedelzak maar een sterk vervormde Gibson.

Sunday's Child (1975) is gematigder van toon en ademt een huiselijke, vredige atmosfeer. De lp is een van Martyns toegankelijkste. Gevarieerde liedjes flankeren een indrukwekkende folksong (Spencer The Rover) en een ontroerende country-ballad (Satisfied Mind). Martyns ster bleef rijzen en hij promootte zijn albums zo fanatiek met tournees dat hij aan het eind van 1975 op instorten stond.
Zelf weet hij dat aan zijn streven naar integriteit: het publiek verwachtte een verpletterende performance, en de artiest voelde zich bij ieder afzonderlijk optreden opnieuw verplicht om via allerlei soorten misbruik de indruk achter te laten dat hij echt meende wat hij zong. Het kwam neer op roofbouw; eind 1975 stopte Martyn. Hij toog voor achttien maanden naar Jamaica.

live at leeds cover..Intussen had hij wel de wens geuit om een live album uit te brengen. Island vond de tijd nog niet rijp en Martyn deed een ongebruikelijke zet: hij liet zelf van een live-band uit 1975 tienduizend lp's persen en zorgde eigenhandig voor de distributie. Zelfs het hoesontwerp (pastiche van het gelijknamige The Who-album Live At Leeds) gebeurde in eigen beheer.
Een en ander maakte Martyn effectief tot de eerste onafhankelijke artiest, al werkte Island wel degelijk mee aan het project. Het grootste deel van de originele eerste persing is, ondermeer in Nederland, verkocht in de reguliere detailhandel.
Verzamelaars zijn echter vooral op zoek naar genummerde en gesigneerde exemplaren die via postorders zijn verzonden vanuit Hastings. Martyn bleek zich te hebben verkeken op de hoeveelheid werk die aan het project vastzat. Het geld dat binnenkwam was wel leuk, maar hij was minder te spreken over de vreemde vogels die aanbelden met drie pond op zak en de vraag of ze konden blijven logeren.
De plaat vormt een goede weergave van een typisch Martyn-concert uit die tijd: soepel samenspel van gitaar, contrabas en (zachte) drums, afgewisseld met ongezouten commentaar op elkaar en een amusante duiding van de Bolero van Ravel ('Uitsluitend gemaakt om op te neuken').

one world cover..De sabbatical in Jamaica bracht rust en inspiratie. Martyn leerde Lee 'Scratch' Perry kennen en pionierde wat in reggae. Island bracht ondertussen een verzamelaar uit om tien jaar John Martyn te vieren: So Far So Good, die alleszins goed verkocht. Terug in Engeland ging het feestvarken midden 1977 werken aan wat zijn meesterproef zou worden, One World. De opnamen vonden plaats op het platteland en deels zelfs in de nachtelijke buitenlucht (Small Hours). Steve Winwood leverde een belangrijke bijdrage aan de opnamen en de plaat kreeg jubelende kritieken.
One World is een scharnierpunt in Martyns oeuvre: ervoor zien we de soloartiest, erna de bandleider. De gitarist was uitgekeken op de mogelijkheden van zijn instrument en wilde bredere arrangementen neerzetten, ook op het podium. One World gaf overtuigend vorm aan de oude ambitie om warme geluiden uit koude (elektrische) instrumenten te halen. De fragiele titelsong, het venijnige Dealer en de met Lee Perry geschreven dubreggae van Big Muff gingen deel uitmaken van het standaardrepertoire. Intussen was in Engeland wel de punkgolf ontketend.

grace & danger cover..De concertmachine draaide weer op volle toeren. Amerika werd bewerkt in het voorprogramma van Eric Clapton, die het jaar ervoor May You Never coverde op zijn album Slowhand. Heel Europa en zelfs Australië werden aangedaan -met succes. In Nederland was Martyn min of meer regelmatig te gast bij de VPRO en Vara radio. Maar het succes eiste zijn tol en de kosten van een band bleken hoog. Het huwelijk met Beverley liep op de klippen en alle bijbehorende emoties werden nauwkeurig geregistreerd op Grace & Danger (1980). De jazzy lp verraadt de invloed van Weather Report maar bracht ook de samenwerking met Phil Collins.

Nieuw management bij Island maakte dat Martyn moest uitzien naar een ander contract. Hij kreeg het bij Warner en Phil Collins mocht Glorious Fool (1981) produceren. Akoestisch topbassist Danny Thompson werd ingeruild voor fretloos virtuoos Alan Thomson, die Martyn had leren kennen na zijn verhuizing naar Schotland. De inspiratie voor het titelnummer kwam van Ronald Reagan (Half the lies he tells you are not true). De plaat kreeg een bemoedigende ontvangst en Warner ondersteunde de release en tournee met singles en publiciteitsmateriaal. Maar opnieuw bleek de hoop op de grote klapper vergeefs.

philentropy cover..Ook Well Kept Secret (1982) bracht niet het succes dat Warner voor ogen stond, hoewel het vreemd genoeg wel de top 20 haalde. Well Kept Secret bevat voornamelijk rockmuziek. Martyn herinnert zich niet veel van de opnamen doordat hij veel pijn had. Hij was over een paal gevallen en had daarbij een doorboorde long opgelopen. In 1983 had hij genoeg van het rocksterrenleven en stond hij weer met lege handen. Om de rekeningen te betalen bracht hij -weer in eigen beheer- enkele livebanden uit onder de wat cryptische titel Philentropy. Dit keer geen akoestisch trio maar een virtuoze jazzrockband vol op stoom; energieke muziek en ingrijpende bewerkingen van klassieke nummers. De distributie bleek echter ook hier een probleem en Philentropy bleef redelijk obscuur.

Island bleek bereid de volhardende artiest terug te nemen en spaarde wederom kosten noch moeite. Martyn mocht naar de trendy Bahamas waar in die tijd iedere zichzelf respecterende artiest zijn opnamen maakte: Grace Jones, Joe Cocker, en Robert Palmer die zich bereid verklaarde de productie voor Sapphire (1984) te doen. Het resultaat was alleszins genietbaar, zij het ietwat glad qua productie, maar bevatte ook een enkel polyritmisch experiment (Rope Soul'd) en voldoende emotie om herkenbaar te blijven als Martyn-product. Eén track, Over The Rainbow uit de Judy Garland film The Wizard Of Oz, ontstond als grap maar bleek uiteindelijk Johns enige succesvolle single.

sapphire cover..Het vervolg werd dichter bij huis opgenomen, in Glasgow, en was het resultaat van de samenwerking met toetsenist Foster Paterson. Piece By Piece (1986) bevat fraaie songs maar ook veel synthesizer en één bizar stuk agressie op noten dat talloze live-uitvoeringen beleefde: John Wayne. Island deed een laatste en grote inspanning om zijn pupil brede bekendheid te bezorgen. Onder de vlag ´twintig jaar JM´ verschenen singles, waaronder ´de eerste commercieel uitgebrachte cd-single ter wereld´, Angeline (een ballad voor Martyns nieuwe echtgenote). Ter ondersteuning van de tournee verscheen zelfs een speciale persdoos met een kant en klaar radioprogramma op twee elpees met interview- en muziekfragmenten. Hoewel de zalen uitverkocht waren bleef breder succes uit. Island bracht een jaar later nog een keurig live-album uit, Foundations, maar toen was de koek op. De tapes voor The Apprentice werden geweigerd en de plaat verscheen uiteindelijk pas in 1990 op een klein privélabel (Permanent Records).

John had toen inmiddels een stevige drankcrisis achter de rug. De tournee leverde even goed volle zalen op (elf keer achter elkaar uitverkocht in het Londonse Shaw Theatre) en de follow-up Cooltide (1991) bevatte aangename en jazzy verrassingen. Hole In The Rain en Jack The Lad werden nadien met bewonderende instemming van Jan Douwe Kroeske opgenomen voor een Hilversumse Twee Meter sessie.

De verbintenis met Permanent Records pakte echter rampzalig uit. Terwijl John in 1992 bezig was met heropnames van zijn beroemdste songs en nog twijfelde over de vorm, bracht de manager de opnamen achter zijn rug uit op Couldn't Love You More. Het leidde tot een breuk waarbij Martyn alsnog zijn project in Amerika afmaakte en publiceerde onder de titel No Little Boy. De tweede plaat is sterker dan de eerste, maar het publiek raakte de weg kwijt tussen de twee vrijwel identieke uitgaven.
Het werd erger toen in 1995 het dubbelalbum Live uitkwam - opnamen uit het Shaw Theatre van vijf jaar eerder. Goede muziek maar wel gedateerd en de nummers hadden de neiging om wat lang te duren. Tot overmaat van ramp begon de manager schaamteloos al het beschikbare Permanent materiaal te recyclen in een stortvloed van verzamelcd's op het Artful label met vaak misleidende titels.

Martyn ging mismoedig op zoek naar een nieuwe platenmaatschappij en vond onderdak bij Go! Discs. Het resultaat was veelbelovend: And (1996) liet een nieuwe Martyn zien, met trip-hop invloeden, samples en een sterk rockend Carmine. Het openingsnummer Sunshine's Better werd geremixed door Talvin Singh en dook op op dance-samplers. Maar Go! Discs verdween door een vijandige overname snel van de kaart. Oprichter Andy MacDonald nam Martyn mee naar zijn nieuwe onderneming Independiente en bleek het hart op de juiste plaats te hebben. John kon gaan werken aan zijn nieuwe album Glasgow Walker en zette zich op advies van Phil Collins opgewekt aan de studie van het keyboard. Na achttien maanden kwam hij erachter dat het toch niet zijn instrument was en wiste hij per ongeluk alle tot dan toe gemaakte opnamen uit het geheugen. Het werkstuk werd een ´album uit de hel´, en kwam uiteindelijk pas uit in 2000.

church with one bell cover..Intussen had Martyn om de zinnen te verzetten een aardig aanbod gekregen. Hij mocht een verzameling covers opnemen, een voor hem ongebruikelijke praktijk, en hij mocht het kerkje in zijn Schotse woonplaats inrichten als opnamestudio. Het resultaat is een bluesy en vrij sombere maar goed gezongen en opgenomen cd Church With One Bell (1998). Martyn toerde op bescheiden schaal door Amerika om het album te promoten maar kreeg te maken met gezondheidsproblemen. Ook de verkoop van Glasgow Walker viel tegen, het werd vreemd genoeg niet uitgebracht in de Verenigde Staten. In 2001 ondernam Independiente een vermetele poging om Martyn in het brandpunt te zetten door een samenwerking te arrangeren met Faithless-diva Sister Bliss, in een dubbel uitgebrachte cd-single Deliver Me, gevolgd door vele remixen. Het hielp allemaal niet veel.

Om weer de rekeningen te betalen had Martyn een weekendtas met live-tapes afgegeven bij een obscure firma die tot dan toe vooral progressief jaren-zeventigmateriaal heruitbracht. Sinds 1998 verschijnen daardoor op labels als Blueprint en One World Records, titels die alleen interessant zijn voor de harde kern van de harde kern. Het gaat meestal om gerestaureerde cassettebanden die met veel liefde zijn gemaakt maar daarmee nog niet goed klinken, al blijft de muziek de moeite waard. Uitzonderingen zijn Another World (1999) dat een aardig inzicht biedt achter de schermen van One World, en Live At The Cambridge Folk Festival (2003), met professionele BBC-opnamen uit 1985.

on the cobbles cover..In 2001 kwamen Danny Thompson en John Martyn weer bij elkaar om samen de Sunshine Boys Tour te verzorgen. Het werd een aardige reunie, maar ook de opmaat naar een zware tijd voor Martyn. Een zomertournee in 2002 was compleet geboekt toen hij moest afzeggen wegens een geïnfecteerde rechtervoet. De revanche had moeten plaatsvinden in de herfst, maar Martyn raakte in de zomer betrokken bij een ernstig ongeluk. Hij werd ternauwernood gered uit de brandende auto. Tijdens de revalidatie bleef de voet opspelen, en begin 2003 moest hij worden geamputeerd.
De tijd van gedwongen rust -Martyn woonde inmiddels in Ierland- bood in elk geval de gelegenheid te componeren, en in de loop van dit jaar zou een nieuw album mogen worden verwacht. (Dat is er inmiddels: On The Cobbles. Zie in de deze Heaven de bespreking op pagina 36.) De optredens met de vaste band (toetsenist Spencer Cozens, bassist John Giblin en drummer Arran Ahmun) worden tegenwoordig verzorgd vanuit een rolstoel en dat is voor de fans wel even wennen.

Humor valt de man evenwel niet te ontzeggen. Martyns nieuwjaarsgroet voor 2004 kwam per video, en behelsde de boodschap dat de geruchten over zijn dood schromelijk overdreven waren - hij ging verkleed als engel. Het bracht de tijd in herinnering waarin Bill Clinton triomfantelijk aankondigde dat het menselijk genoom was ontcijferd. Martyn leverde losjes commentaar tijdens een live optreden: 'Ze hebben de volgorde van het DNA ontcijferd. Eindelijk, na al die jaren. Het blijkt te staan voor Nationaal Dyslexie Agentschap.'

Hans van den Berk
De auteur is fan sinds 1978 en oprichter en webmaster van de Big Muff website, www.johnmartyn.info.


Selectieve discografie

1967 London Conversation **
1968 The Tumbler ***
1970 Stormbringer! (with Beverley Martyn) ***
1970 The Road To Ruin (with Beverley Martyn) ***
1971 Bless The Weather *****
electric..1973 Solid Air *****
1973 Inside Out ****
1975 Sunday's Child *****
1975 Live At Leeds *****
1977 One World *****
1980 Grace & Danger ****
1981 Glorious Fool ***
1982 Well Kept Secret **
1983 Philentropy (live) *****
1984 Sapphire ***
1986 Piece By Piece ***
1987 Foundations **
1990 The Apprentice ***
1991 Cooltide ***
1993 No Little Boy ***
1998 The Church With One Bell ***
2000 Glasgow Walker ***
2004 On The Cobbles ****

Een uitputtende discografie met bibliografie is te vinden op www.johnmartyn.info.
Als officiële website geldt www.johnmartyn.net.


muffnote: Heaven is a Dutch bimonthly quality music magazine in existence since 1999. They have a website.