"Ik peins er niet over om te lijden voor andere mensen"

Jip Golsteijn
De Telegraaf
John Martyn:
"Ik peins er niet over om te lijden voor andere mensen"

picture

John Martyn zit achter een welgevulde tafel in een hoefijzervormige nis van de bar van een hotel in Chelsea, dezelfde nis waarin ik ooit, tijdens een feest ter ere van Shakin' Stevens, mijn eerste dronken Arabier -althans, de eerste in traditionele kleding- zag.

John Martyn lacht gorgelend om mijn verhaal en merkt tussen een slok bier en een slok wodka op dat zelfs de platenindustrie, ooit de meest bedreigde (omdat vinyl ook een olieprodukt is), niet veel meer van Arabische invloed op de westerse economie merkt. "Er gingen destijds geruchten dat bepaalde maatschappijen strafmaatregelen konden verwachten, omdat ze in hun decadentie Arabische gevoelens hadden gekwetst, maar ik denk dat er slechts platenbonzen waren die zich door Arabieren in hun portemonnaie voelden gekwetst."

Hoeveelheden

Arabische druk is in ieder geval niet de reden geweest waarom John Martyn enkele jaren geleden Island, de maatschappij waarvoor hij sinds jaar en dag platen maakt, plotseling verliet.
Maar tot mijn verbazing blijkt het óók niet waar te zijn dat hij dat deed om met Phil Collins (als producer) te kunnen gaan werken. "Ik had een nieuwe manager en vond te laat uit dat nieuwe managers nieuwe artiesten aan de hoogst biedende verkopen. Maar ik houd van de 'personal touch'. Ik ken iedereen bij Island bij de voornaam, ik weet precies wie ik ergens voor moet hebben en mijn telefoontjes worden beantwoord. Island mag dan niet bekend staan als een maatschappij die enorme hoeveelheden plastic weet te distribueren, maar voor mij is die hoeveelheid groot genoeg. Ik heb een catalogus bij Island, dus voor mij is het de ideale platenmaatschappij."

Onlangs is daar een plaat bijgekomen. Piece By Piece, zoals gewoonlijk onmiddellijk genoteerd in de (lagere regionen van) de Britse LP top twintig, waar hij zal blijven staan tot hij de gouden status heeft. Een leuk vooruitzicht bij het twintigjarig jubileum van John Martyn als beroepsmuzikant.

Hij mag binnenkort zelfs een diner verwachten ten huize van zijn hoogste baas, Chris Blackwell. "Over het algemeen zijn platendirecteuren tegenwoordig afkomstig uit de advocatuur, accountancy of projectontwikkeling. Op zijn best zijn het zakenlieden van een wat flamboyanter soort. Chris is gewoon gek, maar door en door fatsoenlijk. Hij stamt uit een familie van rijke, blanke Jamaicanen, planters van het soort dat goed was voor het personeel, ook het zwarte. Toen Chris zelf een soort zwart schaap van de familie werd door in de muziek te gaan, had hij binnen de kortste keren net zo'n goede reputatie als welke Blackwell dan ook. Hij betaalde, als eerste, de zwarte jongens die voor de studio's rondhingen en één voor één binnen werden gevraagd voor klusjes, van het schoonmaken van de drumhokken tot het spelen van een baspartij. Het is bij Chris waarschijnlijk het Kennedy-syndroom: schuldgevoel omzetten in liefdadigheid. Maar fatsoenlijk is fatsoenlijk."

Op Piece By Piece staan negen songs, een van de hand van toetsenman Foster Paterson, acht van Martyn. De laatste acht, letterlijk, want na het voltooien van de plaat heeft hij geen letter meer op papier en geen noot op de band gezet.

Inspiratie

"Ik kan op tournee nooit schrijven. Ik heb dan alleen op het podium nog een gitaar in mijn hand. En ik praat te veel, zowel privé als tijdens interviews. Ik drink, eerlijk gezegd, op tournee ook te veel om te kunnen schrijven. De 'methode' is, al twintig jaar, wachten op de deadline, met de gitaar op schoot uit het raam zitten staren en bidden om 'inspiratie'. Ik heb nooit lange tijd droog gestaan, maar ik ben er wel altijd doodsbang voor. Ik weet niet waarom, want ik ben ervan overtuigd dat mijn songs al bestaan en dat ik ze slechts moet opvangen. Ik zie daar echter niet de hand van God in, zoals zo veel songschrijvers. God heeft geen tijd voor songschrijvers. Die moeten zich maar redden. God schaakt met de Duivel. Als de laatste aan de winnende hand is, is het klimaat voor schrijvers als ik misschien zelfs gunstiger."

"Ik ben streng protestant opgevoed, maar meer dan een stevig alcoholprobleem heb ik er niet aan overgehouden. Helaas ook weinig waar ik iets aan heb. Maar ik ben niet jaloers op katholieken als Sting, Bono en Jim Kerr, die beweren dat je als katholiek een groter gevoel voor mystiek ontwikkelt, dat je dat als rocker van pas komt. Ik wantrouw katholieken. De kerk zit op haar rijkdommen, terwijl de trouwste aanhangers in isolement leven, in de meest achtergebleven gedeelten van de wereld: Zuid-Amerika, Ierland, Polen en de Filippijnen. Zonde en verlossing mogen dan een geliefd thema zijn in rock 'n roll, voor mij hebben de eerste twee al weinig met elkaar te maken, laat staan alle drie, in welke combinatie dan ook."

"Ik kan aardig wat discipline opbrengen, als ik werk op andermans schema, maar zelfdiscipline… Houdt na twintig jaar nog niet over. Het wordt iets beter, naarmate ik ouder word, zoals ik ook gelukkiger word naarmate ik ouder word. In mijn begintijd kreeg ik recensies waarin stond: ga John Martyn zien, voor hij opbrandt. Dan blééf ik erin van het lachen. Maar ach, pers en publiek houden van tragische helden. Ik kan niemand ervan weerhouden mij te zien als een. Maar ik ben geen tragische held. Ik peins er niet over om te lijden voor het geluk van andere mensen."

Geluk

"Ik heb geluk gehad, maar ik heb het ook afgedwongen, door precies te doen wat ik wilde en me niet te laten leiden door toevalligheden als succes, roem en fortuin. Ik zou tot mijn dood voor dronken, aankomende intellectuelen kunnen spelen, in universiteitsaula's, alleen, met gitaar. Maar ik houd van het werken met andere mensen, al gaat het me soms nog zo slecht af. Ik houd van artistieke frictie, de bron van alle creativiteit."

"Werken met andere mensen dwingt me tot experiment, en uiteindelijk tot verandering. Nee, ik heb nooit die drang tot experimenteren die ik in mezelf voel, durven analyseren. Ik ben doodsbang dat ik hem kwijt raak. Ongeveer als de man aan wie werd gevraagd of hij met die enorme baard nou boven of onder de dekens sliep, en prompt geen oog meer dicht deed, terwijl hij twintig jaar lang acht uur per nacht als een roos had gepit. Ik weet dat de meeste muzikanten juist bang zijn voor veranderingen. Ze gaan steeds maar door met het zelfde, tot het effect, artistiek en commercieel, is verdwenen. Onvergeeflijk, hoewel… het gaat natuurlijk niet aan mensen te kritiseren om gebrek aan talent."

"Maar IK richt me niet op de grootste gemene deler, ik probeer die van mijn publiek juist millimeter voor millimeter groter te maken. En al die millimeters tikken lekker aan, over twintig jaar gerekend. Nee, ik heb absoluut niets te klagen. Te klagen hebben de jongens die in de regen op de trein stappen en aan nachtclubeigenaars moeten vragen of ze Blowin' In The Wind mogen spelen, tussen de strippers door. Als ik het woord 'folk' hoor, denk ik dáár aan. Maar IK sta vanavond op het podium van een uitverkocht London Palladium1. En nu zit ik hier, in de duurste bar van Chelsea. Nog een bier en een wodka?"

TOERSCHEMA:

25 maart Stadsschouwburg - Groningen
26 maart Tivoli - Utrecht
27 maart Stadsschouwburg - Nijmegen
28 maart Stadsschouwburg - Heerlen
29 maart Paradiso - Amsterdam
30 maart Patronaat - Haarlem
31 maart Arena - Rotterdam
1 april Casino - Den Bosch

muffnotes:
1 This means the interview took place 3 March 1986.
De Telegraaf is one of the biggest newspapers in The Netherlands. This interview was published in the Popscore section.